1. Burgemeester en wethouders kunnen voor een stembureau, niet zijnde een stembureau als bedoeld in de artikelen J 1a, eerste lid, of J 4a, eerste lid, ook een stemlokaal aanwijzen dat uitsluitend geschikt is voor het houden van een zitting voor zover het de stemming betreft. Artikel J 1a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel J 4 kunnen burgemeester en wethouders voor een stembureau als bedoeld in artikel J 1a, eerste lid, ten behoeve van de stemming een stemlokaal aanwijzen waartoe de toegang wordt beperkt tot een door burgemeester en wethouders aangewezen groep personen. De stemopneming geschiedt in het openbaar.

  3. Op een stemlokaal als bedoeld in het tweede lid is artikel J 35, eerste lid, niet van toepassing.